Een taalstoornis die veroorzaakt wordt door beschadiging van bepaalde hersendelen. Er zijn vele soorten afasie. De meest bekende zijn:
beschadiging van een gebied in de linker hersenhelft (gebied van Broca), dicht bij de motorische cortex. Van hieruit worden de spraakbewegingen van tong, kaak, lippen, e.d. gecoördineerd. De beschadiging leidt vooral tot een gebrekkige taalproductie en gebrekkig schrijven. Mensen met deze afasie kunnen geen grammaticale verbanden uitdrukken en gebruiken geen functiewoorden (bijvoorbeeld bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden). Zij spreken in telegramstijl, maar kunnen taaluitingen wel goed begrijpen.
een iets breder begrip dan Broca's afasie. De hersenbeschadiging kan zowel in het gebied van Broca als in de motorische cortex zijn gelegen. In beide gevallen is een gebrekkige spraakfunctie, gecombineerd met een intact taalbegrip, het gevolg.
beschadiging van een gebied in de linker hersenhelft (gebied van Wernicke), dicht bij het gebied waar de prikkels vanuit de oren binnenkomen op de cortex. De beschadiging leidt vooral tot een gebrekkig begrip van taal. Mensen met deze afasie spreken vloeiend, maar de gevormde zinnen hebben hun betekenis verloren.
beschadiging van de zenuwcellen die de gebieden van Broca en Wernicke met elkaar verbinden. Mensen met deze afasie kunnen taal produceren en begrijpen, maar kunnen niet herhalen wat zij kort tevoren hebben gehoord.
een hersenbeschadiging in de hersenbalk of in de zenuwen die prikkels uit de oren verder verwerken. Hierdoor is taalbegrip via het gehoor onmogelijk, terwijl van doofheid geen spake is. Gelezen teksten kunnen wel begrepen worden.
beschadiging van de verbinding tussen het gebied van de cortex dat prikkels van de ogen verwerkt en de taalgebieden. Hierdoor kan geschreven tekst niet worden herkend. Gesproken tekst kan wel worden begrepen.
schade aan een uitstulping in de linker hersenhelft veroorzaakt onvermogen tot schrijven.
(lett: geen inzicht) Het als gevolg van hersenbeschadiging(en) zintuiglijke informatie nog wel kunnen opnemen, maar niet meer kunnen herkennen. Dit kan beperkt zijn tot bijvoorbeeld het gezichtsvermogen (visuele agnosie) of het gehoor (auditieve agnosie).
De Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks beschrijft bijvoorbeeld dat een man zijn vrouw ziet en vervolgens probeert haar op zijn hoofd te zetten, omdat hij denkt dat zij een hoed is. Agnosie is verwant aan afasie.
(lett: het niet meer bezig zijn) Het verlies van energie. Het verlies van het vermogen om doelgerichte bewegingen uit te voeren. Dit is het gevolg van een hersenbeschadiging en gaat vaak samen met afasie. Er is echter geen sprake van een verlamming en de zintuiglijke informatie uit het lichaam wordt nog waargenomen. De motorische apraxie kan verschillende vormen aannemen.
1. Bij akinetische apraxie bestaat een onvermogen spontaan bewegingen in gang te zetten.
2. Bij ideokinetische apraxie ontbreekt het vermogen een serie bewegingen achter elkaar uit te voeren. Ieder bewegingsonderdeel op zich hoeft geen problemen op te leveren, maar het achter elkaar uitvoeren hiervan lukt niet.
3. Bij ideomotorische apraxie is een onvermogen ontstaan om een specifieke, complexe beweging naar behoren uit te voeren.
coma (med.)
Toestand van ernstige bewusteloosheid waarbij iemand niet wekbaar is door krachtige prikkels zoals roepen, schudden of knijpen. Een coma kan zeer veel verschillende oorzaken hebben. Normaal wordt het bewustzijn in stand gehouden door een activerend centrum in de hersenstam, dat de rest van de hersenen stimuleert.
Bij uitval van dit centrum, maar ook bij uitval van een groot deel van de hersenschors, kan het bewustzijn niet meer in stand worden gehouden. Coma kan voorkomen bij hersenaandoeningen zoals een beroerte, een hersenontsteking of een hersenvliesontsteking, een hersenschudding, een hersengezwel of een ernstige aanval van epilepsie. Ook buiten de hersenen gelegen aandoeningen kunnen een diepe bewusteloosheid veroorzaken: voorbeelden hiervan zijn bloeddrukdaling (door een hartinfarct of na een ernstige bloeding), stofwisselingsstoornissen (o.a. een te laag bloedsuikergehalte ofwel hypoglycemie bij suikerziekte) of ernstige nier- of leveraandoeningen. Ook vergiftigingen met o.a. alcohol, morfinepreparaten (heroïne-overdosering) en kolendamp kunnen coma veroorzaken.
Bovengenoemde aandoeningen geven aanleiding tot een diepe bewusteloosheid door zuurstoftekort, gebrek aan suiker (de belangrijkste voedingsstof van de hersenen), verstoring van enzymsystemen (vooral bij vergiftigingen en ontstekingen), verstoring van het zuur/base-evenwicht, zodat de prikkeloverdracht wordt bemoeilijkt (bijv. bij lever- en nierziekten) en plotselinge verstoring van de functie van het zenuwweefsel.
De diepte van het coma wordt bepaald naar aanleiding van de reactie op allerlei prikkels, zoals aanspreekbaarheid of pijn. Wanneer een coma tot de dood leidt, valt meestal eerst de ademhaling uit, daarna pas de hartfunctie (hartstilstand). Het is dan ook belangrijk dat bij een gestoorde ademhaling alles in het werk wordt gesteld om hetzij de spontane ademhaling te herstellen (ademwegen vrijmaken, eventueel braaksel of vreemde voorwerpen in de mond of keel verwijderen), hetzij over te gaan tot kunstmatige ademhaling.
Een patiënt in coma moet met spoed in een ziekenhuis worden opgenomen. Nagegaan wordt of de patiënt al aandoeningen had die coma konden veroorzaken, en ook aan de hand van lichamelijk onderzoek wordt naar aanwijzingen gezocht. Verder kunnen bloedonderzoek en een EEG helpen de oorzaak vast te stellen. De behandeling is gericht op de onderliggende oorzaak. Verder zijn een goede verpleging en fysiotherapie van belang om complicaties zoals doorliggen of een longontsteking te voorkomen.
beroerte
(cerebro-vasculair accident, CVA, attaque) Plotselinge verstoring van de bloedvoorziening van de hersenen, waardoor uitvalsverschijnselen (o.a. gevoelloosheid of een verlamming) kunnen ontstaan.
In ongeveer driekwart van de gevallen betreft het een vaatvernauwing en eventueel stolselvorming, met als gevolg een verlamming of verlies van het vermogen om te praten (afasie).
Deze verschijnselen kunnen kortdurend zijn, wanneer het bloedstolseltje snel weer oplost (TIA, transient ischemic attack ofwel een voorbijgaande stoornis van de doorbloeding).
Ernstiger is een herseninfarct, waarbij de verschijnselen veelal blijvend zijn. In een kwart van de gevallen is er een hersenbloeding, een bloeduitstorting ín de hersenen.
Andere bloedingen in de schedelholte, tussen de hersenvliezen die de hersenen omgeven, zijn een subarachnoïdale bloeding, een subdurale bloeding en een epidurale bloeding. De klachten die optreden zijn afhankelijk van het soort doorbloedingsstoornis. Dit geldt ook voor de behandeling van deze in wezen verschillende aandoeningen.