(MS) Neurologische ziekte, gepaard gaande met verval van zenuwweefsel in hersenen en ruggenmerg door onbekende oorzaak. Hierbij ontstaan verspreid ontstekingshaarden in de myelineschede rond zenuwbanen, waarbij isolatiemateriaal wordt afgebroken, zodat geen prikkelgeleiding meer kan plaatsvinden. Hiervoor komt littekenweefsel in de plaats.
De eerste verschijnselen ontstaan meestal zonder aanleiding en verdwijnen vaak volledig in de loop van weken tot maanden. Vervolgens treden herhalingen op met nieuwe verschijnselen, waarbij telkens meer restverschijnselen blijven bestaan. Spanningen en vermoeidheid kunnen een verergering uitlokken.
MS kan soms zo gunstig verlopen dat invaliditeit vele tientallen jaren uitblijft. In enkele ernstige gevallen vindt zo'n snelle afbraak van hersenweefsel plaats dat de ziekte in enkele weken dodelijk verloopt. Aangezien de haarden overal in hersenen en ruggenmerg voorkomen, kunnen alle soorten uitvalsverschijnselen ontstaan. Een ontsteking van één oogzenuw met als gevolg slecht zien, komt vooral in het begin van de ziekte voor (neuritis retrobulbaris).
Meestal is er redelijk tot goed herstel. Allerlei gevoelsstoornissen kunnen ontstaan, zoals een doof gevoel met tintelingen of vermindering van het diepe gevoel. Een spasticiteit kan beginnen met moeilijk lopen en snel struikelen; later ontstaat pas ernstige krachtvermindering. Verder kan ataxie ontstaan, dat wil zeggen coördinatiestoornissen door slechte spiersamenwerking. Ook dubbelzien en duizeligheidsaanvallen komen voor.
Uiteindelijk zijn alle bovengenoemde stoornissen blijvend aanwezig, waardoor zelfs verpleging in een rolstoel vaak niet meer mogelijk is. In het begin van de ziekte kan MS allerlei andere aandoeningen van het zenuwstelsel nabootsen. De diagnose wordt uiteindelijk gesteld op het kenmerkende verloop en met behulp van aanvullend onderzoek. Bij onderzoek van hersenvocht worden te veel en ook abnormale immuunstoffen gevonden. De prikkelgeleidingssnelheid van de zenuwbanen in ruggenmerg en hersenen is vaak vertraagd. Met behulp van een CT- scan of NMR kunnen haarden worden aangetoond. Er is nog geen gerichte behandeling.
Bij een plotselinge verergering van het ziektebeeld is bedrust van belang. De klachten kunnen afnemen met behulp van ontstekingremmende hormonen, hoewel deze het uiteindelijke verloop niet gunstig beïnvloeden. Van veel experimentele behandelmethoden (o.a. zuurstoftherapie onder druk) is het effect nog niet aangetoond. Verder zijn er middelen die de spasticiteit wat kunnen verminderen. Fysiotherapie is van blijvend belang.