hoe is het nou in de wereld
hoe is het nu geregeld
waar kan je nu gaan en staan
en zelfstandig voor te gaan
je wilt toch zo veel weten
hoe zit het in elkaar
waar kan je nu wel wezen
wat moet ik met zo 'n gebaar
gaat het in de goede richting
gaat het wel op de goede kracht
hoe moet het verder in de toekomst
wie ben ik die dit allemaal verwacht
is het zo wel allemaal goed geregeld
is het wel een goede dag
is dit wel wat ik wil weten
had ik het zo wel verwacht
`k Moest dwalen, `k moest dwalen
langs bergen en langs dalen;
zo zong het in mijn kindertijd,
nog wordt het hart mij weerloos wijd
bij `t simpele herhalen,
`k moest dwalen.-
Een vragen, een vragen
werd dwingend meegedragen
als `t zingen door de ronde ging;
een eind'loze verwondering
kwam stilaan in mij dalen,
`k moest dwalen.-
Ontwaren, ontwaren
van verten die er waren,
van heuvels waar de voeten gaan,-
maar eenzaamheid kwam bonzend slaan
in `t hart bij het herhalen
`k moest dwalen.-
Na jaren, na jaren
hoe bitter werd het te ervaren
levens verlangen, levens pijn
gevangen in dit klein refrein,-
geluk nooit te behalen,
`k moest dwalen.-
O, verlies de draad niet in de doolhof,
Je bent op doorreis naar jezelf.
Als je geboren wordt lachen de omstanders en huil jij.
Probeer zo te leven dat als jij sterft de omstanders huilen en jij lacht.
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door de nacht,
Stilte die der goeden groeten
Overbrengt naar lage wacht...
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtse streken,
Klaar als ster in licht zou breken,
Zonder smet van taal of teken
God in elk van ons.
Zo kom tot rust. Vertrouw u aan de nacht,
te slapen gaat nu alles op de aarde -
en geef verloren wat uw hart bezwaarde,
langs verre stromen wordt het thuis gebracht.
Zo kom tot rust - en hoor naar het gestadig
ruisen des levens. Al wat is geschapen
doorwoont het, aan zijn hartslag moogt gij slapen:
Ook in u zelve arbeidt het gestadig.
Zo kom tot rust - en vindt de diepe dalen
van slaap. De sterren gaan, de waat'ren stromen;
zo wordt dan op hun ritme mee genomen
gerust.- Nog wacht de nacht: uw ademhalen.
Geen dood is heerlijker
dan die een leven brengt.
Geen leven eed'ler dan dat
aan de dood ontspringt.
God zelf als hij voor
u wil leven moet versterven.
Hoe denkt ge zonder dood
zijn leven ooit te erven ?
Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn een, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand ermee speelt.
Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.
Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ik zijn onschuld nu ten val ?
Of ben ik blind ? - Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.
God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en wijn tot Zijn gedachtenis.
Heeft Een van Beiden Zich vergist ?
Wij zijn een duister fenomeen,
zolang niet in ons leven rijst
het licht van de Heiligen Geest.
Heilige Geest, kom in het vers,
waarin gij drieen, Een voor Een,
hetzelfde zijt en ik alleen
zingend van U de woorden ben.
Heilige Geest, vervul het vers
zo gans, dat er geen vezel is,
die niet van uw belevenis
vibreert, als van de liefde vlees.
Moeder van Jezus is het vlees.
Zuster van Christus is het vers.
Vader, die in de hemelen zijt.
kome uw koninkrijk.
Ik wil u al dieper indenken, dood
zoo, dat ge in mij groeit gelijk een kind
zijt ge ons kind niet, als het avondrood
verzwaluwt en de schemering begint.
Ik wil u indenken tot ik u ken
zoover het levende u vermag te kennen
tot uw blik mij vertrouwd werd door lang wennen
tot ik eigen met u geworden ben.
Als ge dan komt, de lang verwachte gast
van onze waakgedachte en onze dromen
zal ik niet angstig, zelf niet verrast
maar u begroeten met een "welgekomen".
U volgen naar de poort, die uwe hand
ontgrendelt, de donkere poort waarachter
gespreid ligt het oneindig land,
nevelbedekt, waarvan ge zijt de wachter.
loodzware wolken
gedachten, uitgemolken
van 18 karaats goud,
maar zwaar, zo zwaar.
door elastieken luchten
niet vluchten
maar terug zien
naar wat komen zal.
of meegaan met de stroom
geleid aan alleman's toom
leidraad van de waan:
straks zal het wel weer beter gaan.
de last tot dragen niet verplicht
de weg van duisternis tot licht
gouden tranen
vergulde hoop.
Het brood alleen kan ons niet voeden,
wat ons in het brood geneest
is het eeuwig woord van God,
is leven en is geest.
Aarde droeg het in haar schoot,
Zonlicht bracht het rijp en groot
Zon en aarde die ons dit schenken
Dankbaar willen wij aan u denken.
Gij nadert ons in `t brood
Gij nadert ons in water, lucht en licht
O geef, dat wij steeds klaarder schouwen
Hoe godenkrachten aan ons lichaam bouwen.
Dat dankend onze hand het breekt,
Dat wetend onze mond het spreekt.
Gij nadert ons in `t brood,
Gij nadert ons in water, lucht en licht.
Goede morgen, winterkoning:
`k zie u kleintje in de heg !
`k zie u reiziger op weg!
Telt gij ze wel, winterkoning,
het stel jongen in 't nest?
Negen in `t nest is best !
Staartje als een boterspaantje!
Waaikuif als een legervaantje!
Had ik het niet mogen vragen ?
Had ik u niet mogen plagen ?
Negen jongen negen honger.
Zonder kinderen honderd hinderen.
Au, uw spreuk is bar en boos...
Win een roos!
Koninkje, gij hebt gewonnen
Zo gewonnen, zo geronnen:
negen - zeven voor de kat.
Tranen - als ik ze al had
God zij met u , weggeling!
God zij met u, heggeling !
Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluitnen
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwîge rampen
gevreesd cn gehoord
Waarom is de wei zo schoon ?
Omdat zich de zon op de weide
Gebouwd heeft tot tijloze woon
Zijn tenten uit blauwgroene zijde.
Des uchtends zweeft naakt in
een damp
Een kind over halmen en sloten,
Die blozen van `t licht zijner lamp,
Als rozen door regen begoten.
Ten middag ligt lui op ziin zij
Een knaap naast zijn rundren
en schapen,
Hij blaast op een scheile schalrneî,
Waar `t vee en de wolken bij
slapen.
Maar's avonds, gerijpt tot een man,
Steunt zinkend hij zich met
de handen,
Bedroefd daar hij scheidt en
niet kan,
Op de einder der zeekleurge
landen.
Waarom is de weide zo schoon?
Omdat zich de zon op de weide
Gebouwd heeft tot tijloze woon
Zijn tenten uit blauwgroene zijde.
Zij gunnen mij gaarne `t geheim hunner tale,
De roodborst zijn snoeren van bloedkoralen,
De merel heur zang als betinkte bokalen,
En vinken hun klink-slag op eedle metalen.
De duif doet de zoetheid van `t
troostende kirren
Zacht druipen om voorhoofd en lippen
als mirre,
De nachtegaal roert door haar smachten
tot tranen,
En hel schalt de wekgroep der
vlammende hanen.
Ik heb slechts die tonen in ritmen te
schikken,
Dit blinkende kwarts tot briljanten te bikken;
Maar ach, hij is stémloos die mij moet
vertolken,
De sperwer, de sterke, die vonk in de wolken
Geen, die de bode welkom heet,
Wanneer hij, hoog in blinkend ijzer,
Zijn speer laat zinken voor de keizer,
En ongenodigd tot hem treedt.
Geen huisman, die hij niet verschrikt,
Wanneer hij, moe van weer en wegen,
Bij `t ruisen van de najaarsregen,
Om herberg tegen `t venster tikt.
En toch, hoe stovend zwelt de druif,
Hoe schijnt zich loof en ooft te drenken
In `t glanzen van zijn gastgeschenken:
Een korenhalm, een witte duif.
De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor `t laatst zijn
hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur
en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw
de hond.
Hij toeft bij `t vee, en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en horen hangt een
warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewadenit,
En in een nimbus nevelt om de lamp.
Dan loopt hij tastend langs de ruif der
paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig
behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.
En als hij eindelijk, rustig na `t volbrachte,
De handen boven `t vlammend
houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en `t niet beseft.
Hij peinst, en leest in `t boek met
koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht
beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvioed drijft.
Gans in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in de haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over `t water vaart.
Zachjes, zachtjes, Makker Pijn!
Niet zo moordend, op mijn
jaren,
`k Zal uw loftrompetter zijn
Zo ge `zacht met kracht'
kunt paren,
En mij stevigt in `t gemoed,
Dat het, boven ebbe en vloed,
Vaststa, als op stalen voet;
Maar dit toch wat zachtjes doet.
Het schone bewonderen,
Het ware behoeden,
Het edele vereren,
Het goede besluiten:
kan leiden de mens
in zijn leven tot doelen,
in zijn handelen tot `t juiste,
in zijn voelen tot vrede,
in zijn denken tot licht;
en leert hem vertrouwen
op goddelijke leiding
in alles wat is:
in `t wijd heelal,
in de eigen ziel.
Van mijn hoofd tot aan mijn voeten
ben ik het beeld van God
Van mijn hart tot in mijn handen
voel ik de adem van God
Spreek ik met mijn mond
dan volg ik de wil van God.
Wanneer ik God zie
in alle lieve mensen
in dier en bloem,
in boom en steen,
dan voel ik geen vrees,
maar liefde
voor alles om mij heen.
Stond ik voor de poorten,
Verlangende binnen te gaan;
Ik droeg een kroon op de haren,
Ik had een slepend, zware
Purperen mantel aan.
Ik wist niet, tot wie mij te wenden,
Ik was een onbekende
In het vreemde land;
Ik smeekte: `Laat mij binnen!
Laat mij als dienstmaagd binnen!'
En klopte met bevende hand.
`Ik kom met lege handen,
Ik breng geen offeranden
Van myrrhe of wierook of goud.
Ik ben een vermoeide, belaste,
Dus heb ik op de vaste
Beloften uws Konings vertrouwd.'
`Leg af dan uw purperen kleren,
Hier geldt geen macht, geen ere,
Geen rijkdom, geen aardse schijn.
De mensen, die hier wonen,
Dragen geen gouden kronen,
Geen purper, geen hermelijn.'
`Graag wil ik mijn schatten geven,
Sprak ik en glimlachte even
En bloosde, toen ik het zei;
Ik had porphyrogenneta
Die koningskleding vergeten,
Ze scheen mij een deel van mij.
Sinds loop ik arm, verlaten,
Klein meisje door de straten.
Wie vraagt, of ik kom, of ik ga?
Ik ben hier van allen de minste,
Ik leefnietvan eigen verdienste,
Ik leef van mijns Konings gena.
Maar deze gena maakt mij rijker
Dan kronen of koninkrijken,
Ze maakt mij, onreine, rein,
Mij, geringe, van hoger geboorte,
Dan buiten deze poorten
Vorsten en koningen zijn.
Als de aard nog nat is
Van zonneregen,
Kom me dan tegen,
Kom me dan tegen;
Uw hart van alle wegen
Weet welk het pad is.
Waar uw verdriet woont
Diep onder bomen,
Kan ik niet komen,
Kan ik niet komen,
Maar helle troost zal stromen,
Waar u mijn lied troont.
Kom waar uw pijnwoud
Opent op blijde
Zalige weiden,
Zalige weiden,
Daar zal mijn liefde u beiden
In scheemrig kleinhout.
Als avond teer weeft
Zijn groot erbarmen,
Mogen mijn armen,
Mogen mijn armen
Uw koude hart verwarmen,
Totdat het weêr leeft.
Mijn ziel heeft zo lang
Gevast van schreien
En lachen beie,
En lachen beie
Om zich devoot te wijen
Tot deze troostgang.
Toen in de nanachtdauw
Zich moede dromen
Baadden bij `t lome,
Baadden bij `t lome
Licht der laatopgekomen
Dagbleke maanflamhouw,
Heeft zij in `t puurdiep
Der morgenplassen
Haar kleed gewassen,
Haar kleed gewassen,
Eer gulden tij ging wassen
En dag zijn uur riep.
Toen wilde dagbeek
in middaggaarde
Zich diep verklaarde,
Zich diep verklaarde,
En over dromende aarde
Kristallen lach leek,
Schepte ik de lichtwijn
In ogeheker,
En waar hem zeker,
En waar hem zeker,
Tot avondoevers bleker
Dan `t sterrelicht zijn.
Een laat van zonbrand
Druppende roze
Heb ik gekozen,
Heb ik gekozen
Uit al de lichteloze
Bloemen aan bronrand.
Mijn liefde op wacht zal
Driemaal tezamen
U roepen bij name,
U roepen bij name,
Als een verlate eenzame
Vogel in nachtdal...
Als de aard nog nat is
Van zonneregen,
Kom me dan tegen,
Kom me dan tegen;
Uw hart van alle wegen
Weet welk het pad is.
Een ding schonken mij
Onvoorwaardelijk
Uit hunnen overvloed
De eeuwige goden: het
Ogenblik.
Telkens een andere,
Altijd dezelfde toch:
O mijn beminde, hoe
Hebben mijn ogen u
Liefgehad!
Achter de glanzen der
Zonnige hemelen,
Onder de spiegels van
Ogen en zeeën
Zocbt ik u.
Ver in de waken der
Eenzame nachten,
Over de grenzen van
Smarten en vreugden
Vond ik u.
Weg uit de branden van
Haat en van liefde,
Weg uit de kolken van
Dood en wanhoop
Redde ik u...
Nog naar uw willekeur
Treedt gij in maneglans,
Kleedt u in morgengloed,
Weeft uit de sterren uw
Wisselkleed -:
Achter der dagen
Luchtige lieflijkheid,
Diep in der nachten
Tastbare donkernis
Weet ik u -:
Schoner dan al uw
Spieglende schijnen,
Morgen- en avondgoud,
Melkwegs tintelend
Sluiergaas -:
Schoon als wanneer gij -
Waarom zo zelden nog? -
Neer naar mijn aangezicht
Neigt uw onzienelijk
Aangezicht.
Delen in verdriet lost niets op
maar verbindt.
Delen in verdriet
wordt spelen met verdriet
als die ander weer een andere
invalshoek verzint.
De nachtmerrie van paniek
wordt een dragelijke droom.
De waterval van wanhoopstranen
een troostende stroom.
Delen in verdriet
wordt strelen in verdriet
als je op je huid
de vingers van die ander vindt.
Delen in verdriet lost niet op
maar verbindt.
Binnen een cirkel van verdriet
zie ik je gezicht, herken je niet
ik roep je, maar ik ben je kwijt
in mij is jouw afwezigheid
Een grote leegte is ontstaan
waar jij uit mij bent weggegaan
als je eens wist hoe ik je mis
omdat je ziel verdwenen is
Aan de achterkant van het geluk
daar breekt het leven in mij stuk
meedogenloos word ik geleid
naar duizend jaar van eenzaamheid
Je stem wordt langzaam onbekend
alsof je er al niet meer bent
het beeld van wie je was verkleint
alsof je uit mijn hart verdwijnt
Je warme lijf tegen mij aan
is al zo ver bij mij vandaan
en zelfs als je vaak naast me ligt
blijft toch de deur naar vroeger dicht
Wat een was, valt uit in twee
je nam mijn liefde met je mee
verloren lopen we nog door
maar volgen elk een ander spoor
Tussen toekomst en verleden
dwaal ik zoekend door het heden
wankel tussen dag en nacht
tussen mijn zwakheid en mijn kracht
Opdat ik kan blijven geven
en toch zelf kan overleven
geef me wat ruimte, Iaat me vrij,
totdat het rustig wordt in mij
Wees maar niet bang, ik blijf bij jou
ook zonder liefde ben ik trouw
ik leg mijn handen om je heen
stil maar, ik Iaat je niet alleen
Maar Iaat me wennen aan de last
en laat me los, houd mij niet vast
zodat ik niet geketend ben
terwijl ik aan de stilte wen
De stilte van de eenzaamheid
de stilte van verloren strijd
de stilte van verleden tijd
de stilte van afwezigheid