In dit boek wordt gewezen op nieuwe mogelijkheden voor het weten en kunnen van de arts. Men zal het te berde gebrachte alleen dan juist kunnen beoordelen, wanneer men zich vertrouwd kan maken met de gezichtspunten die richtingbepalend waren bij het tot stand komen van deze medische beschouwingen. Het gaat hier niet om oppositie tegen de geneeskunde die met de algemeen erkende wetenschappelijke methoden van de tegenwoordige tijd werkt. Deze wordt door ons in principe ten volle gewaardeerd, En wij zijn van mening dat onze gegevens voor de geneeskunst alleen moeten worden toegepast door iemand die volgens deze principes erkend is als arts. Maar wij voegen aan dat wat men door de tegenwoordig geldende wetenschappelijke methoden over de mens kan weten, nog verdere inzichten toe die door andere methoden worden verkregen. Wij zien ons daardoor gedwongen om op grond van ruimere kennis van wereld en mens ook voor een verruiming van de geneeskunst te werken. De algemeen erkende geneeskunde kan eigenlijk geen bezwaar maken tegen dat wat wij te berde brengen, aangezien wij deze niet afwijzen. Alleen iemand die niet slechts verlangt dat men aanvaarden moet wat hij weet, maar die bovendien nog pretendeert dat men geen inzichten te berde mag brengen die boven de zijne uitgaan, kan bij voorbaat afwijzend staan tegenover onze pogingen.
De verruiming van de wetenschap van mens en wereld zien wij in de door Rudolf Steiner gegrondveste antroposofie. De kennis van de fysieke mens die alleen met de natuurwetenschappelijke methoden van de tegenwoordige tijd kan worden verkregen, vult de antroposofie aan met de kennis van de geestelijke mens. De geesteswetenschap gaat niet door uitsluitend nadenken van de kennis van het stoffelijke over naar die van het geestelijke. Deze weg leidt toch niet verder dan dat men voor meer of minder goed uitgedachte hypothesen komt te staan, waarvan niemand kan bewijzen dat ze overeenstemmen met de werkelijkheid.
De antroposofie ontwikkelt voordat iets wordt uitgesproken over het geestelijke de methoden die het recht geven zulke dingen te beweren. Om inzicht te krijgen in deze methoden dient men het volgende te bedenken: Alle resultaten van de algemeen erkende natuurwetenschap zijn op basis van indrukken van de menselijke zintuigen verkregen. Want al verruimt de mens door het experiment of door waarneming met instrumenten datgene wat de zintuigen hem kunnen geven, toch komt daardoor niet iets wezenlijk nieuws bij de ervaringen van die wereld waarin de mens door zijn zintuigen leeft.
Maar ook door het denken wordt voor zover het zich bezighoudt met het onderzoek van de fysieke wereld niets nieuws toegevoegd aan het tastbaar gegevene, Het denken combineert, analyseert enzovoort de zintuiglijke indrukken om natuurwetten te ontdekken; maar de onderzoeker van de zintuiglijke wereld moet bij zichzelf erkennen: Dit denken dat uit mij opwelt, voegt aan het werkelijke van de zintuiglijke wereld niet iets reeels toe.
Dit wordt echter heel anders wanneer men niet blijft staan bij het denken waartoe de mens het door leven en opvoeding aanvankelijk heeft gebracht. Dit denken kan men in zichzelf versterken, krachtig maken. Men kan eenvoudige gedachten, die gemakkelijk te overzien zijn, in het middelpunt van het bewustzijn plaatsen en dan, met uitsluiting van alle andere gedachten, met alle kracht van de ziel dergelijke voorstellingen vasthouden. Evenals een spier sterk wordt wanneer hij telkens weer in de richting van dezelfde kracht gespannen wordt, zo wordt ook de kracht van de ziel sterker in het gebied van het denken, wanneer er op de aangegeven wijze geoefend wordt.
Men moet er de nadruk op leggen dat aan deze oefeningen eenvoudige gedachten, die gemakkelijk te overzien zijn, ten grondslag moeten liggen.
Want de ziel mag bij zulke oefeningen in geen enkel opzicht blootgesteld zijn aan iets dat half of geheel onbewust is. (Wij kunnen hier alleen het principe van zulke oefeningen aangeven; een uitvoerige beschrijving en een gedetailleerde leidraad vindt men in Rudolf Steiners 'Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden', in diens 'De wetenschap van de geheimen der ziel' en in andere antroposofische geschriften.)
Het ligt voor de hand het bezwaar te opperen dat iemand die zich zo met alle kracht aan bepaalde, in het middelpunt van het bewustzijn geplaatste, gedachten overgeeft, blootgesteld is aan allerlei autosuggesties en dergelijke, en dat hij eenvoudig verzeild raakt in het gebied der inbeeldingen. Maar de antroposofie geeft ook aan hoe de oefeningen moeten verlopen, opdat deze tegenwerping niet gerechtvaardigd is.
De geesteswetenschap laat zien hoe men gedurende het oefenen met behoud van volledig bewustzijn zo voortschrijdt als bij het oplossen van een rekenkundig of meetkundig vraagstuk. Zoals daarbij het bewustzijn nergens naar het onbewuste kan afglijden, kan dit ook niet gebeuren gedurende het hier aangeduide oefenen wanneer de antroposofische voorschriften op de juiste wijze in acht worden genomen.
Tijdens deze oefeningen komt men tot een versterking van de denkkracht, waarvan men van tevoren geen vermoeden had. Men voelt de heersende denkkracht in zichzelf als een nieuwe inhoud van zijn menszijn. En tegelijk met deze inhoud van zijn eigen menszijn openbaart zich een wereldinhoud, die men vroeger misschien vermoed, maar niet door ervaring gekend heeft. Wanneer men in ogenblikken van zelfwaarneming eens op het gewone denken let, dan vindt men de gedachten schaduwachtig, vaag in vergelijking met de indrukken die de zintuigen geven. Wat men nu met de versterkte denkkracht waarneemt, is volstrekt niet vaag en schaduwachtig; het is vol inhoud, concreet-aanschouwelijk; het heeft een veel intensievere werkelijkheid dan de inhoud van de zintuiglijke indrukken.
Er gaat voor de mens een nieuwe wereld open, doordat hij op de beschreven wijze de kracht van zijn waarnemingsvermogen heeft verruimd. Wanneer de mens leert waarnemen in deze wereld, zoals hij vroeger alleen binnen de zintuiglijke wereld kon waarnemen, wordt het hem duidelijk dat alle natuurwetten die hij vroeger kende alleen voor de fysieke wereld gelden.
De aard van de wereld die hij nu betreden heeft, houdt in dat hier de wetten anders zijn dan die in de fysieke wereld, zelfs tegengesteld. In deze wereld geldt niet de wet van de aantrekkingskracht van de aarde, maar integendeel manifesteert zich een kracht die niet van het middelpunt van de aarde naar buiten werkt, maar omgekeerd zo dat de richting van de omtrek van het heelal naar het middelpunt van de aarde gaat. En hetzelfde geldt voor de andere krachten van de fysieke wereld. In de antroposofie wordt het door oefening verworven vermogen van de mens deze wereld te schouwen de imaginatieve kenkracht genoemd.
Imaginatie, niet omdat men te maken zou hebben met 'inbeeldingen', maar omdat de inhoud van het bewustzijn niet bestaat uit schaduwachtige gedachten, maar uit aanschouwelijke beelden. En zoals men zich door de zintuiglijke waarneming in een werkelijkheid voelt door onmiddellijke ervaring, zo is dat ook het geval met de zieleactiviteit van het imaginatieve kennen.
De wereld waarop dit kennen betrekking heeft, wordt door de antroposofie de etherische wereld genoemd. Hierbij gaat het niet om de hypothetische ether van de huidige natuurkunde, maar om iets wat werkelijk geestelijk geschouwd wordt. De naam is gegeven in overeenstemming met een vroeger instinctief. aanvoelen van deze wereld. Dit heeft vergeleken met de heldere kennis die tegenwoordig kan worden verkregen geen wetenschappelijke waarde meer; maar wanneer men iets wil aanduiden, heeft men namen nodig. In deze etherwereld is een etherische lichamelijkheid waarneembaar die naast de fysieke lichamelijkheid van de mens bestaat. Deze etherische lichamelijkheid is iets wat ook in het plantenrijk aanwezig is.
De planten hebben hun etherlichaam. De fysieke wetten gelden werkelijk alleen voor de levenloze mineralen. De plantenwereld is mogelijk op aarde doordat er aardse substanties bestaan die niet binnen het gebied van de fysieke wetten blijven, maar zich van elke fysieke wetmatigheid ontdoen en zich aan tegengestelde wetten onderwerpen. De fysieke wetten werken als het ware uitstromend van de aarde; de etherische werken als het ware van alle kanten uit de wereldomtrek naar de aarde toestromend. Men begrijpt het wordingsproces van de plantenwereld alleen wanneer men hierin de samenwerking ziet van het aards-fysieke en het kosmisch-etherische. En hetzelfde geldt voor het etherlichaam van de mens. Door dit etherlichaam gebeurt er iets in de mens dat niet voortvloeit uit de wetmatigheden van het fysieke lichaam, maar dat als grondslag heeft dat de fysieke stoffen, voor zij binnenstromen in het etherische, zich eerst van aardse krachten ontdoen.
Deze in het etherlichaam werkende krachten zijn in het begin van het aardse leven van de mens het duidelijkst in het embryonale tijdperk werkzaam als vormen groeikrachten. Gedurende het leven op aarde maakt een deel van deze krachten zich los van het deelnemen aan vormgeving en groei en wordt tot denkkrachten, die krachten die voor het gewone bewustzijn de schaduwachtige gedachtenwereld voortbrengen.
Het is van het allergrootste belang te weten dat de gewone denkkrachten van de mens de verfijnde vormen groeikrachten zijn. In de ontwikkeling van vorm en groei van het menselijke organisme openbaart zich iets geestelijks.
Want dit geestelijke verschijnt in de loop van het leven als de geestelijke denkkracht. En deze denkkracht is slechts een deel van de in het etherische wevende menselijke vormen groeikracht. Het andere deel blijft trouw aan de taak die het had bij het begin van het menselijke leven. Alleen omdat de mens zich nog verder ontwikkelt wanneer zijn groei en vorming tot op zekere hoogte afgesloten zijn kan het etherisch-geestelijke dat in het organisme leeft en weeft in het verdere leven als denkkracht optreden.
Zo openbaart de vormende (plastische) kracht zich aan de imaginatieve geestelijke aanschouwing aan de ene kant als een etherisch-geestelijk werkende kracht, aan de andere kant als de ziele-inhoud van het denken. Wanneer men nu de overgang van het substantiële van de aardse stoffen vervolgt tot in het etherproces, dan moet men zeggen: Deze stoffen nemen overal waar zij in dit proces overgaan een karakter aan waardoor zij zich van de fysieke natuur vervreemden. In deze toestand van vervreemding betreden zij een wereld waarin het geestelijke hun tegemoet komt en hen geestelijk omvormt.
Opstijgen tot de etherisch-levende werkelijkheid van de mens zoals het hier geschilderd wordt, is iets geheel anders dan het onwetenschappelijke aannemen van een 'levens- kracht', hetgeen nog tot in het midden van de negentiende eeuw gangbaar was om de levende lichamen te verklaren. Hier gaat het om het werkelijke aanschouwen het geestelijke waarnemen van iets wezenlijks, dat in de mens en in alles wat leeft evenzo aanwezig is als het fysieke lichaam.
Om dit aanschouwen teweeg te brengen wordt niet op vage wijze met het gewone denken verder gedacht; ook wordt niet door de kracht van de fantasie een andere wereld verzonnen, maar het menselijke kenvermogen wordt op volkomen exacte manier verruimd, en door deze verruiming ontstaat tevens de ervaring van een ruimere wereld. De oefeningen die een hoger waarnemen teweegbrengen, kunnen worden voortgezet.
Zoals men een versterkte kracht toepast om zich te concentreren op gedachten die men in het middelpunt van het bewustzijn geplaatst heeft, zo kan men ook hierop weer een dergelijke versterkte kracht toepassen om de verworven imaginaties (beelden van een geestelijk-etherische werkelijkheid) te onderdrukken.
Men verkrijgt dan de toestand van een volkomen leeg bewustzijn. Men is alleen wakker, voorlopig zonder dat het wakkerzijn een inhoud heeft. (Nadere gegevens vindt men in bovengenoemde boeken,) Maar dit wakkerzijn zonder inhoud is niet blijvend. Het bewustzijn, ontdaan van alle aanschouwelijke, fysieke en etherische indrukken, wordt gevuld met een inhoud die uit een reële geestelijke wereld toestroomt, zoals de indrukken uit de fysieke wereld naar de fysieke zintuigen toestromen. Men heeft door de imaginatieve kennis een tweede wezensdeel van de mens leren kennen; door het gevuld worden van het lege bewustzijn met geestelijke inhoud leert men een derde wezensdeel kennen.
De wijze van kennen die op deze manier tot stand komt, noemt de antroposofie inspiratie. (Men moet zich door deze uitdrukkingen niet in de war laten brengen; ze zijn ontleend aan het instinctieve karakter waarmee men in primitieve tijden inzicht had in geestelijke werelden; maar wat er hier mee bedoeld is, wordt exact gezegd.) De wereld waarin men door de inspiratie toegang verkrijgt, wordt aangeduid als de astrale wereld.
Spreekt men zoals hier is beschreven over 'etherische wereld', dan bedoelt men werkingen die van de wereldomtrek naar de aarde uitgaan. Spreekt men echter over 'astrale wereld', dan gaat men overeenkomstig het waarnemen door het inspiratieve bewustzijn van de werkingen uit de wereldomtrek over naar bepaalde geestelijke wezens die zich in deze werkingen openbaren, zoals de aardse stoffen een openbaring zijn van de krachten die van de aarde uitgaan.
Men spreekt van concrete geestelijke wezens die uit de wereldruimte werken, zoals men bij de zintuiglijke aanblik van de nachtelijke hemel spreekt van sterren en sterrenbeelden. Vandaar de uitdrukking 'astrale wereld'. Met deze astrale wereld is het derde wezensdeel van de mens verbonden: zijn astrale lichaam. Ook in dit astrale lichaam moet de aardse substantie instromen. Deze vervreemdt daardoor nog meer van de aardse werkelijkheid. Zoals de mens zijn etherlichaam gemeen heeft met de plantenwereld, zo heeft hij het astrale lichaam gemeen met de dierenwereld.
Het eigenlijke wezen van de mens dat hem boven de dierenwereld uitheft, wordt kenbaar door een kenwijze die nog hoger is dan de inspiratie.
De antroposofie spreekt dan van intuïtie. In de inspiratie openbaart zich een wereld van geestelijke wezens; in de intuïtie wordt de verhouding van de kennende mens tot deze wereld inniger. Men maakt zich innerlijk volledig bewust van wat zuiver geestelijk is, waarvan men in het gewone bewustzijn zonder meer gewaar wordt dat het met het beleven door de lichamelijkheid niets te maken heeft.
Daardoor verplaatst men zich in een leven waarin men als mensengeest leeft te midden van andere geestelijke wezens. In de inspiratie openbaren de geestelijke wezens der wereld zich; door de intuïtie leeft men met deze wezens. Men komt daardoor tot erkenning van het vierde wezensdeel van de mens, het eigenlijke 'Ik'.
Ook hier wordt men gewaar hoe de aardse substantie, wanneer deze zich invoegt in het weven en wezen van het 'Ik', nog verder van de fysieke aard vervreemd raakt. Het wezen dat deze substantie als 'Ik-organisatie' aanneemt, is allereerst die vorm van de aardse stof waarin deze het meest van zijn aards-fysieke karakter vervreemd is. Wat men op deze manier als 'astraallichaam' en 'Ik' leert kennen, is niet op dezelfde wijze gebonden aan het fysieke lichaam in de menselijke organisatie als het etherlichaam. Inspiratie en intuïtie laten zien hoe het 'astrale lichaam' en het 'Ik' zich in de slaap afscheiden van het etherische en fysieke lichaam en hoe alleen in de waaktoestand een volledige doordringing van de vier wezensdelen van de menselijke natuur als een menselijk wezen voor ons staat.
In de slaap zijn het fysieke en etherische lichaam van de mens in de fysieke en etherwereld gebleven. Zij zijn daar echter niet in de toestand waarin het fysieke en etherlichaam van een plant verkeren. Zij dragen de nawerkingen van het astrale lichaam en het Ik in zich. Op het ogenblik waarop zij deze nawerkingen niet meer in zich zouden dragen, moet de mens ontwaken.
Een menselijk fysiek lichaam mag nooit aan louter
fysieke, een menselijk etherlichaam nooit aan louter etherische werkingen zijn overgeleverd. Zij zouden daardoor uiteenvallen. Nu openbaren echter inspiratie en intuïtie nog iets anders. De fysieke stoffelijkheid ondergaat een wezenlijk verdere ontwikkeling door de overgang naar het weven en leven in het etherische. En leven hangt hiervan af, dat het organische lichaam aan het wezen van het aardse wordt onttrokken en vanuit het buitenaardse heelal wordt opgebouwd.
Echter, deze opbouw leidt wel tot leven, maar niet tot bewustzijn en niet tot zelfbewustzijn. Het astraallichaam moet zijn organisatie opbouwen binnen het fysieke en etherische; hetzelfde moet het Ik doen wat betreft de Ik-organisatie. Maar bij deze opbouw ontstaat geen bewuste ontplooiing van het zieleleven. Er moet opdat iets dergelijks tot stand komt tegenover de opbouw een afbraak staan.
Het astrale lichaam bouwt zich zijn organen op; het breekt ze weer af, waarbij in de ziel het voelen tot bewustzijn komt. Het Ik bouwt zich de Ik-organisatie op; het breekt deze weer af, waarbij de wil in het zelfbewustzijn gaat werken. De geest ontplooit zich binnen het wezen van de mens met op basis van de opbouwprocessen in de stof, maar op basis van de afbraakprocessen.
Waar in de mens de geest wil kunnen werken, daar moet de stof zich uit zijn activiteit terugtrekken. Reeds het ontstaan van het denken binnen het etherlichaam berust niet op een voortzetting van het eigenlijk etherische, maar op een afbraak er van. Het bewuste denken gebeurt niet in processen van vorming en groei, maar in processen van ontvorming, van verwelking en afsterven, welke voortdurend in het etherische gebeuren ingeschakeld zijn.
Bij het bewuste denken maken de gedachten zich los uit de lichamelijke organisatie en worden als ziele-inhouden menselijke belevenissen. Wanneer men nu op basis van een dergelijk inzicht in de mens naar het wezen van de mens kijkt, dan wordt men gewaar dat men zowel de mens-als-geheel als een van zijn afzonderlijke organen slechts kan doorgronden wanneer men weet hoe in hem het fysieke, het etherlichaam, het astraallichaam en het Ik werken.
Er zijn organen waarin voornamelijk het Ik actief is; ook zijn er waarin het Ik slechts weinig werkt, waarin daarentegen de fysieke organisatie overweegt. Men kan de gezonde mens alleen doorgronden wanneer men inziet hoe de hogere wezensdelen zich meester maken van de aardse stof om deze in hun dienst te dwingen, en wanneer men ook inziet hoe de aardse stof verandert doordat hij in het gebied van de werkzaamheid van de hogere wezensdelen van de menselijke natuur komt.
Zo kan men ook de zieke mens alleen begrijpen wanneer men inziet in welke toestand het hele organisme, een orgaan of een orgaansysteem komt wanneer de wijze waarop de hogere wezensdelen werken in disharmonie geraakt. En aan geneesmiddelen zal men slechts kunnen denken wanneer men leert doorzien in welke verhouding een aardse stof of een aards proces staat tot het etherische, het astrale, het Ik.
Want alleen dan zal men door toediening van een aardse stof aan het menselijke organisme, of door behandeling met een aards proces, kunnen bewerkstelligen dat de hogere wezensdelen zich ongehinderd kunnen ontplooien, of ook dat de aardse stoffelijkheid in het toegediende de nodige steun krijgt om de weg te vinden waarop deze stof de basis wordt voor aards werken van het geestelijke.
De mens is wat hij is, door lichaam, etherlichaam, ziel (astraallichaam) en Ik (geest). Als gezonde moet hij, bestaande uit deze wezensdelen, worden gezien; als zieke moet hij worden waargenomen in het verstoorde evenwicht van deze wezensdelen; voor zijn gezondheid moeten geneesmiddelen worden gevonden die het verstoorde evenwicht weer herstellen. In dit boek wordt een medische beschouwingswijze beschreven die op een dergelijke grondslag is gebouwd.