Antroposofische visie

De benadering vanuit de antroposofie wijkt af van de gebruikelijke. In het vervolg van dit betoog worden een aantal begrippen gebruikt die ontleend zijn aan de antroposofie. Voor wie daarmee niet vertrouwd is, is een inleidend hoofdstuk opgenomen uit het boek

  Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde.

Wie nadere informatie op het internet zoekt kan o.a. terecht bij

   de bibliotheek van de amerikaanse antroposofische vereniging


Wat nu volgt is een gedeelte van een voordracht van Rudolf Steiner gehouden op 6-11-1916. Verschenen in het boek 'Beroep en karma' isbn 906038 297 8.

...'Ik heb er vaak op gewezen dat het zenuwstelsel van het fysieke organisme een eenheid is, en eigenlijk is het niets dan pure onzin - die niet eens door de anatomie te rechtvaardigen is - wanneer men de zenuwen onderverdeelt in motorische en sensorische zenuwen. De zenuwen zijn alle gelijk gestructureerd en ze hebben alle een en dezelfde functie. Het onderscheid tussen de zogenaamde motorische zenuwen en de zogenaamde sensorische zenuwen bestaat slechts hierin dat de sensorische zenuwen erop zijn ingesteld om voor de waarneming van de buitenwereld te dienen, terwijl de zogenoemde motorische zenuwen voor de waarneming van het eigen organisme dienen. Een motorische zenuw is er niet op gericht mijn hand te bewegen - dat is pure onzin - de zogenaamde motorische zenuw is erop gericht de beweging van de hand waar te nemen, dus inwendig waar te nemen, terwijl de sensorische zenuw erop gericht is te dienen bij de waarneming van de buitenwereld. Dat is het hele verschil. Nu is ons zenuwstelsel, zoals u weet, verdeeld in drie delen. er zijn zenuwen die hun belangrijkste centrum in de hersenen hebben, die dus in het hoofd gecentraliseerd zijn, zenuwen die in het ruggemerg gecentraliseerd zijn en zenuwen die we tot het zogenoemde ganglionsysteem rekenen.
Dat zijn in wezen de drie soorten zenuwen die de mens heeft. Nu gaat het erom te doorzien welke samenhang er bestaat tussen deze drie soorten zenuwstelsels en de geestelijke wezensdelen van ons organisme. Wat is om zo te zeggen het meest ontwikkelde, het fijnste deel van het zenuwstelsel en wat is het minst ontwikkelde deel van het zenuwstelsel?

Het ligt voor de hand dat mensen vanuit de gewone huidige natuurwetenschap op deze vraag zullen antwoorden: 'Dat spreekt, het zenuwstelsel van de hersenen is natuurlijk het edelste, want dat is waardoor de mens zich van het dier onderscheidt.' Maar zo is het niet. Het zenuwstelsel van de hersenen hangt wezenlijk samen met de hele organisatie van ons etherlichaam. Natuurlijk zijn er daarnaast nog allerlei andere relaties, zodat ons hele hersensysteem ook nog relaties heeft tot het astrale lichaam of tot het ik, maar dat zijn secundaire relaties. De primaire, oorspronkelijke relaties zijn de relaties tussen het zenuwstelsel van de hersenen en het etherlichaam.
Dat heeft niets te maken met de zienswijze die ik eens naar voren heb gebracht, dat het hele zenuwstelsel tot stand is gekomen met behulp van het astrale lichaam. Dat is iets heel anders; we moeten deze dingen beslist van elkaar onderscheiden. Het zenuwstelsel is in zijn oorspronkelijke aanleg tot stand gekomen tijdens de maantijd, maar het heeft zich verder ontwikkeld, en sedert deze eerste ontwikkeling is de kiem voor andere relaties gelegd, zodat het zenuwstelsel van onze hersenen het meest innig en wezenlijk in verband staat met ons etherlichaam. Het zenuwstelsel van het ruggemerg heeft zijn meest primaire en nauwe relaties met ons astrale lichaam, zoals we dit tegenwoordig met ons meedragen, en het ganglionsysteem met het ik, het eigenlijke ik.

Dit zijn de primaire relaties zoals wij die tegenwoordig hebben. Als we de zaak op die manier bezien, kunnen wij ons gemakkelijk voorstellen dat er tijdens de slaap een bijzonder sterke verbinding is tussen ons ik en ons ganglionsysteem, dat zich grotendeels in het romporganisme bevindt, dat in strengen het ruggemerg omgeeft enzovoort. Maar overdag, wanneer wij wakker zijn, zijn deze verbindingen losser; ze zijn er wel, maar ze zijn losser. Ze zijn intensiever tijdens de slaap.
En ook de verbindingen tussen het astrale lichaam en de ruggemergszenuwen zijn tijdens de slaap inniger dan overdag. En zo kunnen wij zeggen dat er tijdens de slaap bijzonder nauwe relaties optreden tussen ons astrale lichaam en onze ruggemergszenuwen, en tussen ons ik en ons ganglionsysteem. Tijdens de slaap leven wij als het ware in ons ik sterk met het ganglionsysteem samen. Zodra men de raadselachtige wereld van de droom eens nader zou bestuderen, zou men de waarheid wel inzien van wat ik op deze wijze vanuit het geesteswetenschappelijk onderzoek heb aangeduid.
Wanneer u dit alles overweegt, zult u echter ook een brug vinden tot de andere wezenlijke, belangrijke gedachte: dat het voor het leven een heel belangrijk gegeven is dat er een ritmische afwisseling optreedt in de verbondenheid van bijvoorbeeld het ik met het ganglionsysteem en van het astrale lichaam met het ruggemergsysteem, een ritmische afwisseling die identiek is met de afwisseling van slapen en waken. Want u zult er niet van opkijken wanneer gezegd wordt: door het feit dat het ik tijdens de slaap zo helemaal in het ganglionsysteem zit en het astrale lichaam zo helemaal in het ruggemergsysteem, daardoor is de mens wat zijn ganglionsysteem en ruggemergsysteem betreft wakker tijdens de slaap en slapend terwijl hij wakker is. Alleen kun je je dan afvragen hoe het komt dat wij van dit intense wakker-zijn, dat immers ontplooid moet worden tijdens de slaap, zo weinig weten.
Nu, wanneer u nagaat hoe de mens zich ontwikkeld heeft, wanneer u bedenkt dat het ik van de mens immers pas tijdens de aarde-ontwikkeling in hem plaats heeft genomen en dat dit ik dus eigenlijk de baby is onder de menselijke wezensdelen, dan zal het u niet verbazen dat juist dit ik zich nog niet bewust kan worden van wat het tijdens de slaap in het ganglionsysteem beleeft, maar dat het zich heel goed bewust kan worden van wat het beleeft wanneer het zich in het volledig ontwikkelde hoofd bevindt, dat hoofdzakelijk het resultaat is van alle impulsen die gewerkt hebben door de maanfase, de zonnefase enzovoort. Waar het ik zich bewust van kan worden hangt af van het instrument waarvan het zich kan bedienen. Het instrument waar het zich in de nacht van bedient is nog betrekkelijk teer. Want ik heb u in eerdere voordrachten uitgelegd dat de rest van ons organisme eigenlijk pas later tot ontwikkeling is gekomen, dat dit een latere toevoeging is aan het organisme van het hoofd, dat al meer voltooid was, en dat de rest van ons organisme een aanhangsel is van het hoofd-organisme.Wanneer we zeggen dat de mens, voor wat zijn fysieke lichaam betreft vanaf de saturnusfase al een meer of minder lange ontwikkeling heeft doorgemaakt, dan geldt dat alleen voor het hoofd.

Datgene wat aan het hoofd vastzit is meestal in een latere tijd gevormd, tijdens de maanontwikkeling of zelfs pas tijdens de aardeontwikkeling. Daardoor dringt het intensieve leven dat we ontplooien tijdens de slaap, en dat organisch gezien vooral in het ruggemerg en in het ganglionsysteem zetelt, in eerste instantie nauwelijks tot ons bewustzijn door, maar het is daarom niet minder actief, niet minder belangrijk. En je zou kunnen zeggen dat de mens tijdens de slaap de gelegenheid moet krijgen om onder te duiken in zijn ganglionsysteem, zoals hij tijdens het waken de gelegenheid heeft om op te stijgen tot het gebied van zijn zintuigen en zijn hersenstelsel. Zeker, u zult zeggen: wat ingewikkeld - en misschien zelfs: wat verward wordt daardoor alles wat wij ons eigen hebben gemaakt. Maar de mens is een gecompliceerd wezen, en wij moeten deze gecompliceerdheid, deze complexiteit een keer goed op ons laten inwerken, anders kunnen we de mens niet leren begrijpen.Nu moet u zich eens voorstellen dat bij een mens datgene optreedt wat ik u met betrekking tot Goethe heb beschreven, namelijk dat het etherlichaam uit zijn verband wordt losgeweekt.
Wanneer het etherlichaam wordt losgeweekt, ontstaat er tijdens het waken een heel andere verhouding tussen het ziele-geesteswezen van de mens en zijn fysieke, organische deel. De mens wordt, zoals ik gisteren heb beschreven, op een soort isoleerbankje gezet. Maar een dergelijke werking kan nooit optreden zonder dat een andere werking wordt uitgelokt. Dat is heel belangrijk om te weten. Een dergelijke werking treedt niet eenzijdig op, maar lokt een andere werking uit. Als we de toestand die ik gisteren gekarakteriseerd heb iets grover uitdrukken, zouden we ook kunnen zeggen : doordat het etherlichaam is losgekomen, wordt het hele wakende leven van de mens op een bepaalde manier beïnvloed. Maar dat kan niet het geval zijn zonder dat tegelijk ook het slapende leven van de mens wordt beïnvloed. Met gevolg daarvan is eenvoudigweg dat de mens, wanneer zo iets in hem gebeurt als hij Goethe heeft plaatsgevonden, in een lossere relatie tot de indrukken van zijn hersenen komt te staan. En daardoor komt hij in wakkere toestand in een intiemere, sterkere verbinding te staan met zijn ruggemergszenuwen en zijn ganglionsysteem.

Toen Goethe ziek werd hebben zich die twee dingen tegelijk afgespeeld: hij ontwikkelde in zekere zin een lossere relatie tot zijn hersenen, maar tegelijkertijd een nauwere relatie tot zijn ganglionsysteem en tot zijn ruggemergsysteem. Wat gebeurt er dan eigenlijk in zo'n geval precies? Wat betekent het, dat er een hechtere relatie ontstaat met het ganglionsysteem, met het ruggemergsysteem? De mens komt daardoor namelijk in een heel andere verhouding te staan tot de buitenwereld. Wij zijn immers voortdurend heel innig met de hele buitenwereld verbonden, alleen merken we niet hoe hecht de verbinding eigenlijk is die we met de buitenwereld hebben. Maar ik heb u er al vaak op gewezen: de lucht die u op het ene ogenblik binnen in u draagt, is het volgende moment buiten u, en in u is dan andere lucht; dat wat nu buiten u is, heeft het volgende ogenblik de vorm van uw lichaam en verenigt zich met uw lichaam.

Het menselijk organisme is slechts schijnbaar van de buitenwereld gescheiden; het maakt deel uit van de buitenwereld, het is een onderdeel van de hele buitenwereld. Wanneer dus een dergelijke, zojuist gekarakteriseerde verandering in de verhouding tot de buitenwereld plaatsvindt, wordt het leven van de mens daardoor zeker sterk beïnvloed. Nu zou men kunnen zeggen: daardoor zou eigenlijk bij iemand als Goethe de lagere menselijke natuur - gewoonlijk wordt immers alles wat met het ruggemerg- en ganglionsysteem verbonden is de lagere natuur genoemd - bijzonder sterk op de voorgrond moeten treden. De krachten trekken zich terug van het hoofd; ze worden nu sterker opgeëist door het ganglionsysteem en het ruggemergsysteem.Maar wat zich daar feitelijk afspeelt gaan we pas begrijpen, wanneer we doordrongen raken van het inzicht dat hetgeen wij verstand, rede noemen, eigenlijk niet zo strikt aan onze individualiteit gebonden is als men gewoonlijk aanneemt. Je zou kunnen zeggen, vanzelfsprekend houdt onze tijd, met al de voorstellingen waar zij van uitgaat, er juist over deze dingen totaal verkeerde begrippen op na.'...

De volledige tekst in

zip-formaat

kunt u ook downloaden.


Terug naar het overzicht zenuwstelsel modellen.